In de pers
Publicaties

Hieronder de complete lijst met artikelen die door IMSA zijn geschreven of over ons zijn verschenen. Klik in het menu hiernaast voor een overzicht per jaartal.

01 juli 2003 - Wouter van Dieren
Een schitterend vergezicht op het wad

Ik loop over het wad, het is zomer 2003 en prachtig weer. De zon schittert over de vlakte en het is windstil. In de onzichtbare verte ronken motoren van schepen; het geluid komt van tien, twintig kilometer ver. Zwermen weidevogels, wadvogels, eenden zwaaien door de blauwe lucht. Het zijn er honderden en hoe vreemd is het toch dat ze elkaar niet raken, de hele meute daar boven, naar links, naar rechts, naar boven en beneden, alsof ze één organisme zijn.
Dit is het Terschellinger horizonparadijs waar ik al een halve eeuw rondzwerf, kijk, zoek, mediteer en mij verwonder. Niet alleen over dit grootse landschap, maar over alles wat hier leeft en dartelt, zoals de dansende harders in de geulen, die we ook vandaag weer zien, de zonnende zeehonden op de plaat, maar ook de onbeweeglijke schelpdieren, vanwege hun schitterende vormen, en alle kleine organismen in hun ijver en heldenmoed.
Maar er is ook reden tot zorg. Ik loop voorbij het zogenaamde Lichtje bij Dellewal het drooggevallen wad op en pluk een tiental grote Japanse oesters van de plaat. Het zijn exotische schelpen, vol scherpe uitsteeksels, en ze horen hier niet. Ooit hebben Zeeuwse oesterkwekers deze reuzen geïmporteerd, en daarna is het uit de hand gelopen. De Waddenzee ligt er vol mee. Een garnaal zie je niet meer, scholletjes evenmin. Een eindje verderop varen de kokkelvissers: grote, platte stofzuigerboten die de wadbodem omploegen als ware het een landbouwakker. Het wadleven is verstoord, alles is in de war, en het zal nog erger worden.

Ik dook in de wetenschappelijke lectuur, verzamelde artikelen en meningen, zo tussen winter en najaar 2002, en realiseerde me dat er van alles moet gebeuren om de zaak te redden – als dat tenminste nog mogelijk is. Tientallen excellente mensen zijn daar mee bezig, waarom is de toestand dan toch zo beroerd? Wat ontbreekt er, en kan ook ik misschien wat bijdragen? En dus stapte ik naar de Waddenvereniging, NAM, de provincies, de staatssecretaris, naar de wetenschap. En al pratende ontstond er een plan. Dat gaat over kennis, onderzoek, maatregelen, financiering, gasbaten, bestuur en vooral over leiderschap. En gaandeweg werd duidelijk dat we een perspectief nodig hebben, een toekomstbeeld, laten we zeggen anno 2025, waarin alles samenkomt, vol fantasie, en wellicht vol onhaalbaarheden, maar wel geschilderd met een kleurige kwast en in een rijk palet.

De toekomst van de Waddenzee ziet er als gezegd niet zo best uit: de bedreigingen zijn legio, de samenhang erin valt moeilijk waar te nemen en in leiderschap wordt niet echt voorzien. Alles overheersend is de zeespiegelstijging door de klimaatverandering, die in het ernstigste geval tot honderd centimeter kan bedragen – per eeuw. De natuurlijke sedimentatie (zandaanvulling) houdt dat niet bij en dat betekent dat uiteindelijk de Waddenzee 'verdrinkt', dat wil zeggen dat er tenslotte bij eb geen plekje meer droogvalt. En daarmee komt er een eind aan het waddenecosysteem. Is daar dan niets tegen te doen? Jawel, maar niet als we doormodderen als in de laatste jaren. In een rondzingend plan spelen de aardgaswinning en de schelpdiervisserij een grote rol, op een manier die veel stof heeft doen opwaaien maar die, zo is gebleken, al lang geleden werd bedacht: uitkoop van de schelpdiervisserij met behulp van inkomsten uit gasbaten, eventueel met opcenten. Dat deze uitruil steeds weer als belangrijke optie tevoorschijn komt, is niet zo vreemd. Bij zowel gaswinning als schelpdiervisserij gaat het om de bodem. Als de eerste wat schade betreft te beheersen valt en de tweede niet, dan laat je het ene toe en zoek je naar middelen om het tweede probleem te stoppen. Met het oog op de bedragen die ermee gemoeid zijn ligt het voor de hand om dan de betrokken koppeling te maken. Dit laatste principe wordt nog eens versterkt door de nieuwste inzichten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen (M.V.O.) Daarbij geldt onder meer een ethische regel die zegt dat een bedrijf verantwoordelijkheden moet nemen die verder gaan dan de klassieke shareholders' value. Je haalt kostbare hulpbronnen uit de aarde en je geeft er wat voor terug. Ter plaatse.
Waarom ging het dan toch mis? Als er zo veel goede ideeën al zo lang geleden werden uitgeprobeerd?

De kern daarvan ligt bij twee partijen: de gassector en de natuurbescherming. De gassector heeft tot voor kort niet willen erkennen dat men in een dynamisch krachtenveld opereert dat de grenzen van de traditionele bedrijfsstrategie overschrijdt. Men nam krachtig stelling tegen de natuurbescherming, tegen de politiek en tegen iedere onderhandelingsstrategie zoals die al vanaf 1994 op tafel lag. Ook schatte men de politieke verhoudingen consequent verkeerd in, met als referentie vooral de eigen achterban. Waarschuwingen dat zo'n conclusie juist zou leiden tot een versterking van de groene oppositie sloeg men in de wind. En men verwierp met kracht de stelling van Winsemius dat gaswinners moeten afzien van 'eeuwigdurende rechten' en daarmee verband houdende financiële claims.
Mijnbouwpolitiek veronderstelt dat de concessiehouder die rechten per definitie mag bezitten totdat de bron leeg is, hoe lang dat ook duurt. Want wat heb je eraan als je ze wel hebt, maar niet mag exploreren of exploiteren? In het Winsemiusmodel hoeft de gassector deze rechten niet op te geven, maar worden ze onder arbitrage gebracht van een derde partij, een Commissie van Drie (wijzen). Deze staat garant voor de bewaking van datgene waarom de controverse bestaat: het voorkómen van bodemschade. Als het de gassector ernst is met zijn claim dat deze schade niet optreedt, dan zou men in vertrouwen het mandaat over de exploitatie uit handen moeten geven. Klassiek managementmachismo heeft echter verhinderd dat dit voorstel werd overgenomen.
Aan de kant van de groene NGO's zijn gelijksoortige inschattingsfouten gemaakt. Inmiddels zijn de contouren en achtergronden ook van deze beslissingen duidelijker geworden.
Ten eerste bestond er terechte vrees over mogelijk ernstige schade aan de waddenbodem door gaswinning. De ervaringen met het Groningse gasveld waren niet bepaald geruststellend: de provincie is 'diep gezonken', zo heet het in cynisch jargon. Gelijksoortige bodemdaling in de Waddenzee zou rampzalige gevolgen hebben, men was dus gewaarschuwd. Degelijke bewijsvoering van het tegendeel bestond niet tot de publicatie van de Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee van Alterra et al. in 1999. Dat de gassector al die voorgaande jaren durfde te stellen dat er geen schade zou optreden was echter niet zo onverantwoord. Op basis van eigen exploratiekennis was bekend dat de geologische formaties onder deze delen van het wad zich anders zouden gedragen dan die onder Slochteren. Bij derden was deze kennis nauwelijks paraat, terwijl onafhankelijk gezaghebbend onderzoek nog niet bestond. Bijgevolg was er alom onzekerheid en werd er begrijpelijkerwijs ook gewaarschuwd.
Daarbij kwam dat de Waddenvereniging domweg werd buitengesloten van deelname aan de studie – tot de uitkomsten op tafel lagen. De triomfantelijke toon van de gassector die luidkeels riep dat men dus gelijk had gekregen, galmt vandaag nog na. Terecht klom de Waddenvereniging in de boom.
Dat zowel de regionale politiek als de groene NGO's deze gang van zaken hebben geëxploiteerd voor politiek alarm is eveneens niet zo verwonderlijk, en dat dit alarmsignaal vervolgens het symbool zou worden voor een cascade van evasieve waddenhandelingen in bestuur en politiek viel te voorspellen. Traditioneel progressief Nederland had hier immers een laatste symbolisch bastion gevonden waar de onschuldige natuur moet worden verdedigd tegen het grootkapitaal. De woorden 'Waddenzee en gasboringen' zijn aldus iconoclasmen geworden voor een politiek krachtenveld waarvan het epicentrum in de jaren zeventig lag. De verbetenheid waarmee deze stelling is beklommen en waarmee degenen die haar afbreken werden bestreden, doet denken aan die stevige oude tijden, toen de wereld nog duidelijk ingedeeld kon worden in goed en kwaad, arbeid en kapitaal, wij van links en zij van rechts. Maar strategisch is het niet, althans niet als het gaat om het beschermen van de Waddenzee. Indien het belang van de natuur inderdaad prevaleert, dan hadden de groene NGO's in 1994 of '98 de uitruilstrategie moeten omarmen. De voordelen daarvan waren immers zonneklaar, want de schade door de schelpdiervisserij zou al jaren geleden zijn gestopt en er zouden financiële middelen ter beschikking zijn gekomen voor sanering, uitkoop en modernisering. Nu hebben de betrokkenen de ongewenste situatie doen voortwoekeren, wat betreurenswaardig is omdat men voor dat probleem veel minder politieke aandacht kon mobiliseren dan voor de bodemkwestie en het aardgas. Een veel gehoorde verklaring is de volgende.
Groene NGO's zijn geneigd tot zelfuitvergroting: men kent zichzelf meer invloed toe dan de werkelijkheid toelaat. Een reden hiervoor wordt gevonden in het morele gelijk, de overtuiging dat men een opdracht heeft die uitsteekt boven de waan van de dag. Politiek bedrijven is in die optiek amoreel of zelfs immoreel. Overleg en dealtjes met het bedrijfsleven zijn tekenen van slappe knieën en gebrek aan principes.
Een andere verklaring gaat over geld: binnen de groene NGO's leeft de overtuiging dat de morele superioriteit van de natuurbescherming een blijvende claim op financiële middelen rechtvaardigt. De klaarblijkelijke discrepantie tussen deze claim en de realiteit wordt gezien als een tijdelijke aberratie. Als het echt nodig is, dan wordt er betaald.
Een laatste verklaring gaat over risico. Groene NGO's zijn de houders van het ideaal der risicovrije samenleving. Wij zijn op weg naar de pure toekomst, waarin we één zijn met de natuur en waarin risico's niet meer bestaan. Als de wetenschap ons nog geen finale zekerheid kan geven, dan moet er dus meer onderzoek komen. Altijd meer onderzoek.
Het utopisch ideaal is zo'n vijfduizend jaar oud en kent vele religieuze, mythologische en literaire vormen. De jongste variant heeft zich in de groene NGO's genesteld. De morele claim ervan is te vergelijken met het concept van de verlossing van de zonde; ook hier is de mensheid schuldig. Praktische oplossingen staan lijnrecht tegenover de behoefte aan deze transcendentie, die wordt gevonden in projecties over een pure natuur die goed is en die ons zal bevrijden. Windekind tegenover Pluizer (De kleine Johannes, Frederik van Eeden). Een van de directeuren van Natuurmonumenten sprak over de 'heiligheid van het wad'. Daar horen dan geen boortorens en geen havens, en het liefst ook geen schepen, vaargeulen, auto's en toeristen, dat is duidelijk.

Maar toch, we moeten de natuur wél beschermen. Hoe doen we dat dan? De veelgehoorde stelling 'handen af' is een expressie van deze schreeuwende behoefte aan de pure natuur. De onpraktische kant ervan wordt vooral door de lokale economie ervaren. In de teksten van de PKB worden pogingen gedaan om natuurwaarden en economische activiteiten in te kaderen, en in zekere zin wordt daar een defensief toekomstbeeld geschetst. Hoe zou een offensief beeld eruit zien?

Mijn herinneringen aan het wad gaan terug tot 1947, ik was toen zes. Sinds dat jaar ben ik er iedere zomer teruggekeerd, als bewoner van Terschelling, als wadloper, natuurbeschermer, journalist, onderzoeker en als wadzeiler. Die zomers werden steeds langer en duren nu twaalf maanden. Ik schreef er artikelen over, maakte er films en assisteerde bij acties tegen bedreigingen of foute plannen. Als mijn mede-eilanders me niet willen geloven, dan troon ik ze mee naar Borkum, Norderney of Sylt, om te laten zien hoe lelijk de wereld van het wad kan zijn als je niet oppast. En dan moet je concluderen dat we het op de eilanden en aan de kust nog zo slecht niet hebben gedaan. Hoewel: is dat wel zo? Want wat is het lelijk in Delfzijl. Wat is de Eemshaven een troosteloos oord. Hoe weinig plezier beleef je aan Lauwersoog of Holwerd. Hoe uitgestorven en verwaarloosd was Den Helder. In Harlingen is een grote lege plek ontstaan in de binnenstad en je houdt je hart vast, want de kans is aanwezig dat ook hier iets heel lelijks gaat komen. Wat is er veel moois gesloopt en smakeloos gebouwd op de eilanden. Hoe doods soms is de zee zelf; geen leven te bekennen. Wat zijn de havens toch beroerd, zeker voor zeilschepen. De veerdiensten: massavervoer, slechte service. Grote, lelijke campings. Hele dorpen gemacdonaldiseerd. Het kan dus beter. Veel beter.
Allereerst: de natuur. Van west naar oost. De Afsluitdijk moet weg of hij moet, als de Oosterscheldedam, half open, half dicht. Sowieso zal de spuicapaciteit worden vergroot, vanwege de toename van het water uit de grote rivieren. Je kunt dat doen door de sluizen die er nu zijn uit te breiden – er liggen ook plannen in die richting. Daarbij horen dan eigenlijk mooie nieuwe kwelders aan de noordkant van de dijk, zodat het spuiwater geleidelijk door een delta stroomt in plaats van als een waterval het wad ter plekke te overvallen. Die kwelders zijn vooral nodig om de scherpe grens die de Afsluitdijk nu is te vervangen door een reeks van ecologische gradiënten, van basaltdijk tot schelpstranden, vlakten met kweldergrassen, slikvelden, geulen, en dus vogelgebieden. Zonder zo'n uitwijkplaats blijft de huidige vogelslachting op de snelweg onverkort doorgaan, want daarlangs klonteren nu alle flora en fauna samen, erheen gedreven door de afwezigheid van uitdijende, zachte, weidse groengebieden, ook aan de zuidkant. En dus moeten er ook aan de zuidzijde van de Afsluitdijk grote kweldervlakten worden opgespoten, tot vele kilometers in het huidige IJsselmeer, zodat wat nu te zien is voor de kust van Kornwerd en Makkum zich zal uitstrekken tot aan Den Oever toe. In deze door grote spuisluizen en kweldervlakten gestoffeerde Afsluitdijk worden straks (2025) osmosecentrales gebouwd. Osmose-energie ontstaat door het faseverschil tussen zout en zoet water op te vangen via membranen en je kunt er over de hele dijk vele megawatts mee opwekken. Je ziet deze centrales niet, ze liggen onder water, en ze hebben de kwelders ook al nodig, om het afgaande water te filtreren in zandbedden.
Nog mooier is het om de dijk te vervangen door een combinatie van eilanden, bruggen, tunnels en stukjes dam, evenzeer geflankeerd door kwelders, maar zo groots van opzet dat er weer een open gebied ontstaat waar eb en vloed doordringen tot diep in de, dan weer, Zuiderzee: zout in het noorden, brak tot Workum, zoet daar beneden. Overgangszones als deze zijn ecologisch rijk en fascinerend, zodat de huidige armzalige natuur van het IJsselmeer plaatsmaakt voor dat wat er duizend jaar is geweest: een getijdengebied dat zindert van het leven, een natuurgebied dat weer spannend is, een recreatiewildernis waar het huidige schuitjevaren wijkt voor het onverwachte van getijden, wind, droogvallende platen en teruggekeerde vogel- en vissoorten. Zelfs de bruinvis zullen we hier weer zien.
Het zal de geulenstelsels van de Waddenzee beïnvloeden, zowel bij het eerste plan als bij het tweede. De vroegere richting van noord naar zuid werd in 1932 vervangen door een dominante van west naar oost. Die maakt dan weer ruim baan voor meer (van de oude) zuidwaartse geulen. Dat zal gunstig uitwerken voor de sedimentatie van de hele Waddenzee.
Kwelders zullen ook aangroeien ten noorden van Friesland en Groningen volgens de beproefde lokale technieken, maar dan in grotere oppervlakten. Nieuw wordt de aangroei van deze kwelders aan de zuidkant van de eilanden, waar dit ooit weleens gebeurde, maar nooit regel werd. Vreemd eigenlijk, alle eilanden zouden erop vooruit gaan, zowel qua landschap als natuur.
Ooit, tot de veertiende eeuw, was het eiland Griend de zetel van een klooster, met wat boerderijen en een stadje. In 1897 werd het door de laatste boer, Haringa, verlaten en sindsdien is het een wandelend eilandje, thuisbasis van onder andere een kolonie grote sterns met meer dan achtduizend broedparen. Er staat nu een paalhut voor biologen en vogelwachters. Griend is pioniernatuur: snel wisselende zandbanken, stuifduintjes en slibvelden, met daarop pioniervegetaties van zeekraal, helmgras, zeeaster, zeealsem, schorrekruid en kweldergras. Bij storm en springtij liep het eiland onder water en spoelden de nesten weg. In de jaren tachtig dreigde het eiland te verdwijnen en de vraag was of je de natuur moest volgen of beteugelen. Bij het eerste doen storm, water en wad wat ze willen. Besloten werd tot het tweede: Griend werd vastgelegd met een dijk aan de westkant, waarachter slib en zand zich konden zetten.
In dit vergezicht verschijnen er overal stukjes als Griend in de Waddenzee. Er liggen verschillende platen die ervoor in aanmerking komen. Met kleine dijken en kweldertechnieken met rijshout en basaltstenen waarachter zich slib en zand verzamelen reikt na enige tijd de vloedlijn niet meer hoog genoeg en valt het gebied droog. Geomorfologische processen als deze zorgen daarna spoedig voor pioniervegetaties en kleine duinvorming. Er vestigen zich vogels, het gebied wordt aantrekkelijk als paaiplaats en, als er een diepe geul in de buurt ligt, komen er zeehonden.
Als de zeespiegel stijgt, dreigt het gebied op een dag te verdrinken, hoe vreemd dat ook klinkt. Een Waddenzee bestaat bij de gratie van eb en vloed, droogvallen en onderlopen. Behalve dat we dus door het 'begrienden' van het wad kunnen zorgen voor een tijdige voorziening , door zo voldoende droogval te garanderen, moeten we ook zand en slib gaan bijvoeren door in de grote stroomgaten zand bij te storten dat bij vloed dan de Waddenzee binnenjaagt. Volume en kosten blijken beheersbaar. Wie nog vrees heeft voor bodemdaling door gaswinning weet hier een verrassende, eenvoudige oplossing. Maar je moet het wel een eeuw of langer blijven doen.
Mijn vergezicht gaat ook over nieuwe havens. Ik hou niet van natuur waar je niet mag komen en niet van biologen, staatsbosbeheerders, natuurbeschermers en vogelaars, die Griend, Oerd, Boschplaat, Slufter en dergelijke afsluiten voor de natuurliefhebber, met een beroep op zeldzame soorten en kwetsbaarheid. Voor de Engelse kust heb ik zeehondenkolonies bekeken vanaf zo'n twintig à dertig meter; honderden nieuwsgierige dieren die we op het wad niet mogen benaderen. Leg eilanden en zandbanken aan, laat de populatie floreren en kijk ernaar waar je maar kunt. Zorg voor grote en mooie jachthavens. Nu is het armoe. In Oude Schild en ook in Den Oever ligt de zeiler tussen de trawlers. In Harlingen is de buitenhaven een godverlaten oord zonder enige faciliteit. De haven van Vlieland is veel te klein. Die van Terschelling kan zelfs verdubbeld worden en bij voorkeur komt er een bij, ter hoogte van waar vroeger de veerdienst naar Zwarte Haan in Friesland vertrok. Bij Holwerd kan de wadvaarder nauwelijks terecht; in Lauwersoog moet hij worden geschut of op het zoute water alweer tussen de trawlers liggen, zonder enige faciliteit. Waarom toch die armetierigheid? En waarom ligt die dam van Lauwersoog er eigenlijk? Welk nut had het ooit om de Lauwerszee van zout en rijk zo zoet en arm te maken? Ook hier dus: laat het zoute water weer binnen, maak er een zout-brak-zoet overgangsgebied van.
De Eemshaven, ook al zo'n troosteloze, lege vlakte. Leg er een grandioos waddennatuurpark aan met stranden, jachthaven, zeehondencentrum, aquarium, boulevard, zeilschool, dagtochten naar Borkum, een Bataviawerf, een kassengebied met zoutwatercultures, een CO2-experiment gekoppeld aan de Eemscentrale, en een mosselvisserijcentrum. De jachthaven op Ameland mag die naam niet hebben. De Ballumerbocht is een natuurlijke baai, waar een haven kan ontstaan, op diepte gehouden door de vloeiplaat achter de dam, zoals dat ook in de havenkom van Terschelling gebeurt. En dan Delfzijl: een stad die schreeuwt om een nieuwe band met het water, om schoonheid en herbergzaamheid aan zee, in plaats van de huidige afgekeerdheid, het totale gebrek aan visuele en ruimtelijke interactie tussen de waddennatuur en de nu zo kwijnende, armzalige stad.
In mijn vergezicht zijn er zeker nog schelpdiervissers op het wad en ze mogen het grootschalig doen.
Kokkelvissen wordt ingeperkt – het is te gek voor woorden dat wij een natuurgebied opofferen ter wille van de Spaanse paella. De mosselvisserij heeft echter wel toekomst, zij het dan dat ze wordt gemoderniseerd. In de Eemshaven komt een centrum met laboratoria en kweekbakken waarin de mossels aan verticale staketsels hangen, zoals ook oesters gecultiveerd worden en zoals je nu op Neeltje Jans ziet, in de Oosterschelde. Mosselzaad verzamelen in het wild, dat zal wel een beetje blijven, maar veel minder, na die modernisering. De Japanse oester is in mijn vergezicht een commercieel product, weliswaar niet zo gewaardeerd als echte huîtres de Zélande, maar zonder vangst zal de Japanse oester het wad zodanig koloniseren dat hij allerlei medewadgebruikers weg concurreert. Tot nog toe heet er geen markt voor te zijn. Ik geloof er niets van. In de pan ermee!
Dit alles gaat over de natuur. Maar een natuurreservaat wordt het niet. Miljoenen mensen komen voor hun vakantie hiernaar toe. Gastvrij ontvangen door honderdduizenden waddenbewoners, die werken in toerisme, op kleinschalige bedrijventerreinen of in agrarische clusterbedrijven. Deze agrarische duizendpoten houden zich bezig met landschapsbouw, met logeren bij de boer, streekgebonden producten en (op de wal) energiegewassen. Energie, jawel. De eilanden zijn zelfvoorzienend in energie door kleine windmolens, zonnepanelen en getijdencentrales. De noodzakelijke auto's en vrachtwagens op de eilanden rijden op waterstof, want de eilanden zijn door experimenteren koploper op waterstofgebied. Op het vasteland van de waddenregio worden zoutminnende gewassen voor biodiesel verbouwd, waarvan de veerboten en de watersport gebruik maken. Deze vooruitstrevende lokale ecologische economie is aantrekkelijk voor jonge waddenbewoners. En overal op het wad wordt gemeten, gerekend, bestuurd en gepland. In ons Vergezicht is het niet 'handen af' maar 'alle hens aan dek'. Zonder integrale visie, zonder complete plannen en zonder centraal bestuur, gesteund door onderzoek en engineering is er straks geen wad meer. Op Texel ontstaat, door samenwerking met NIOZ, Alterra en RIVO, de Waddenacademie, met een veelvoud aan de huidige activiteiten en gekoppeld aan een hogere beroepsopleiding in Leeuwarden en Groningen. Gasbaten zijn er in twee varianten: de gangbare, waarvan een deel zal terugvloeien naar het wad, en de opcenten: een extra heffing die het Nationale Waddenfonds voedt en van daaruit wordt ingezet voor alles wat ik hier beschrijf. Toeristen betalen een waddenheffing, vergelijkbaar met de huidige toeristenbelasting, zoals ook de mosselvissers en de wadzeilers meebetalen. Het Waddenfonds compenseert mede de eilandboeren in ruil voor de productie van natuurlijke agrarische landschappen, naast hun gewone productie.
Deze Waddenzee zal rijker, ruimer, mooier en schoner zijn. Voedselschaarste voor wadvogels als eider en kanoet komt niet meer voor. De zeehondenpopulatie zal floreren. De bruinvis keert terug. De lepelaarkolonies zullen groeien en op een dag zien we boven de Zuiderzee en de Lauwers de zeearend terugkeren, de zilverreiger, de zwarte ooievaar en zelfs de flamingo, foeragerend op garnaal en stekelbaars in de grote uitgestrekte ondiepten die er weer zullen zijn.
Miljoenen toeristen zijn er welkom, niet meer opeengekneld in lelijke, volle campings en ongastvrije veerboten, vijandige jachthavens en ontoegankelijke natuurgebieden, maar aangemoedigd, geïnteresseerd, verantwoordelijk en meedenkend. Zuidelijk van de huidige Afsluitdijk ontstaat een zo uitgebreid palet van eilanden, kwelders, geulen, plassen, stranden en banken dat Friesland er als het ware een tweede merengebied bij krijgt. Met werkgelegenheid voor tienduizend mensen die nu nergens terecht kunnen, omdat Frieslands watersportcapaciteit is uitgeput.
De zeespiegelrijzing mag wat mij betreft komen. Een nieuw delta-klimaat-waddenplan, zoals we dit vergezicht mogen noemen, zal die stijging meer dan opvangen. In 1977 schreef ik het boek Natuur is duur over de economie van de natuur, samen met de toenmalige voorzitter van het Wereldnatuurfonds, Marius (Maas) Wagenaar Hummelinck. Het boek begon met een lyrische beschrijving van het Terschelling uit mijn jeugd, gevolgd door een overzicht van de dynamische veranderingen op het eiland in natuur en cultuur tussen 1900 en 1975. Het laatste hoofdstuk bevatte een vergezicht op wat er komen zou. Toen nog dacht ik dat er een windmolenpark op de Noordsvaarder zou moeten staan. Het park is er gekomen, maar het staat in Sexbierum en bij Zurich.
De laatste regels van mijn toenmalige visie gaan over het jaar 2025 en luiden: 'Achter ons ligt het eiland in de vallende nacht. Wij natuurbeschermers zijn nog altijd niet tevreden, want wisten wij niet beter, dan leek er maar weinig veranderd. Er klinkt lawaai uit het dorp aan de duinvoet. Een herrie van jewelste: feestende toeristen, die terugkeren van een tocht naar het natuurreservaat. Kan het in de volwassen (groene) economie niet wat rustiger zijn? Nu pas komen de mensen bij van een eeuw expansiedrang, en dat zou toch in gepaste stilte gevierd moeten worden. Maar nee, men wil zich niet aanpassen aan de droom van de natuurbeschermer en zijn hooggestemde idealen.
Een grote troep ganzen vliegt over in een lange v-vorm. Als we het duin afdalen, zijn we buiten bereik van het feestrumoer en horen we de merkwaardige gakgeluiden van de ganzen.
Ganzen – net als vroeger. Er is toch niet zo erg veel veranderd, behalve dat ze nu in grotere getale en vaker voorbijtrekken en dat ze steeds langer blijven en soms zelfs nestelen. De natuur is zich aan het herstellen van een grote inzinking. Hier, op het eiland, kun je dat goed zien.'

Terug 

IMSA zoekt wegen naar duurzame ontwikkeling, zowel samen met opdrachtgevers als op eigen initiatief. Daarbij kiezen we nadrukkelijk positie op het grensvlak van bedrijven, overheid, wetenschap en de kritische buitenwereld.



  Deze video gaat over IMSA Amsterdam, over onze visie en inspiratiebronnen.

Deel 1:   'Inspiration to change' 
Deel 2:   'Politics of change' 





IMSA Amsterdam
Prins Hendriklaan 15
1075 AX Amsterdam
Tel.: +31(0)20-5787600
Fax: +31(0)20-6622336
info@imsa.nl