23 oktober 2009 - Kees de Vré
Een groene New Deal
In 1968 waarschuwde de Club van Rome voor het
eerst dat er grenzen zijn aan de groei. Nu, aan de vooravond van de
klimaattop in Kopenhagen, zoekt de groep opnieuw het voetlicht. ’Het
mondiale casino is van zijn voetstuk gevallen.’
De
Club van Rome is terug van weggeweest. Bijna veertig jaar na de eerste
waarschuwing dat er grenzen zijn aan de groei, komt deze verzameling
wetenschappers, ondernemers en oud-politici nu in Amsterdam bijeen. De
financiële crisis, zegt de club, heeft de geesten rijp gemaakt om de
ongebreidelde groei die leidt tot vernietiging van ons leefmilieu, om
te buigen naar een economie die drijft op duurzame energie en
grondstoffen die worden hergebruikt. Zo blijft de klimaatverandering
beheersbaar. En daar wil de club de wereldleiders die in december in de
Deense hoofdstad Kopenhagen over die milieugrenzen vergaderen, op
wijzen. De ’Global Green New Deal’ noemt Wouter van
Dieren, sinds de oprichting lid van de club, deze overgang naar een
economie die de aarde niet uitput, terwijl gelijktijdig toch ook een
behoorlijk welvaartsniveau voor allen wordt gegarandeerd. „Maar dan
moet er wel doorgepakt worden. Volop investeren in duurzaamheid dus. Er
wordt nog te veel geaarzeld, of erger, sommige politici zijn uit op
restauratie, willen terug naar oude verhoudingen, want dat is het meest
zekere. Ze durven geen nieuwe wegen in te slaan. Of wellicht weten ze
niet waar ze naartoe moeten en staren ze zich blind op de economische
krimp. Dat zie je zo duidelijk in Den Haag. We gaan er een paar procent
op achteruit. Nou en. Dan zitten we nog op het niveau van 2006. Sliepen
we toen allemaal onder de brug? Waar hebben we het over? Wat verdampt
is, is beurswaarde, lucht dus. Het mondiale casino met zijn
speculatiewinsten is van zijn voetstuk gevallen, maar de fabrieken van
Philips staan er allemaal nog. Die maken de spaarlampen die we straks
allemaal in steeds groteren getale nodig hebben.” Eigenlijk
is de Club van Rome nooit weggeweest, vindt Van Dieren. „Het boek
’Grenzen aan de groei’ was vijftien jaar lang een wereldhit. Daarna is
de club inderdaad in het diplomatencircus terechtgekomen, maar nadat
wetenschappers midden jaren negentig het heft weer in handen namen, is
opnieuw volop gewezen op het feit dat de aarde niet voldoende
draagkracht heeft voor de blinde groei die nu nog steeds gaande is. Men
wilde dat in die tijd van economische jubeljaren niet zien.” Van
Dieren ontkent dat de oorspronkelijke boodschap van zijn club niet is
waargemaakt. „Wij hebben nooit voorspeld dat belangrijke grondstoffen
binnen enkele decennia zouden zijn uitgeput. Wat wel is gezegd, is dat
het tempo van de uitputting sneller zal gaan dan iedereen toen nog
dacht. Kijk om je heen. Productie en consumptie hebben ongekende vormen
aangenomen, zijn exponentieel gegroeid. Daar komen landen als China en
India nog bij. Dan hebben we het over een derde van de wereldbevolking
dat langzamerhand gaat meedoen, via groei met dubbele cijfers.” Van
Dieren zit vol met cijfers die zijn argumenten kracht moeten bijzetten.
„In 2030 heeft China de autodichtheid van Amerika bereikt. Dan rijden
er alleen al in China 1,1 miljard auto’s tegen 860 miljoen nu in de
hele wereld. Om al die auto’s te laten rijden, zijn dagelijks 98
miljoen vaten olie nodig. Het huidige wereldverbruik is 85 miljoen
vaten. Ander voorbeeld: nu worden er jaarlijks wereldwijd twee miljard
vliegreizen gemaakt. Alleen al in het kleine Europa zal dat getal in
2030 1,2 miljard zijn. Dat betekent elke vijf jaar tien tot vijftien
Heathrows – het drukste vliegveld ter wereld – erbij. Er moet toch
ergens een rood lampje gaan branden?” De
vrijemarkteconomie met de nadruk op groei kan haar blik niet verleggen,
zegt Van Dieren. „Ondernemersplannen gaan standaard uit van een snelle
doorloop van grondstoffen via transport, productie, distributie en
consumptie naar afval. Dat wordt vervolgens ingeboekt als groei, maar
is eigenlijk uitputting van ons natuurlijk kapitaal. Die weeffout moet
eruit worden gehaald. Wat je nu ziet, is geen stagnatie, maar een
consumentenstaking die leidt tot positieve effecten. Er wordt weer
gespaard in plaats van alleen maar geconsumeerd. Dat betekent minder
afval, minder nieuwe bedrijfsterreinen en meer uitgespaard landschap.
Er wordt minder en minder ver met vakantie gegaan. Dus energiebesparing
en minder CO2-uitstoot. Goed nieuws, want ons natuurlijk kapitaal wordt
gespaard; maar dat komt niet in cijfers tot uitdrukking.” Die
economische korte-termijnblik – het moet binnen vijf jaar winst
opleveren anders doen we het niet – moet van zijn heiligheid worden
ontdaan en vervangen worden door kapitaalvorming op de lange termijn,
zegt Van Dieren. „Kijk naar het Deltaplan, de polders, de dijken. Kijk
naar het Concertgebouw of het Rijksmuseum. Die leveren geen winst op en
waren er volgens het heersende businessmodel ook niet geweest; maar ze
maken wel onderdeel uit van ons maatschappelijk kapitaal. Zo moet ook
worden gekeken naar investeringen in een groene economie. Het levert de
casinokapitalisten geen winst op, maar het levert ons en onze kinderen
wel een duurzame wereld op.” Van Dieren verwerpt
het idee dat de gemiddelde consument zelf medeschuldig is. Die heeft op
de beurs of via legiolease-constructies toch ook willen profiteren van
snel verdiend geld? „Verkijk je er niet op. Dat was maar een klein
percentage.” Die groene economische renaissance ligt
nog niet een-twee-drie in het verschiet. De weerstand is groot, zegt
Van Dieren. Hij rept zelfs van een ’gijzeling door een kleine elite’.
„Ik heb dat ooit de nieuwe feodaliteit genoemd. Daar hebben wij burgers
toch niet om gevraagd. Er wordt door de financiële sector in het casino
gespeeld met ons maatschappelijk kapitaal. Zelfs de pensioenfondsen
doen daaraan mee. En kijk naar de minister van financiën. Die heeft ABN
Amro in handen en zou deze kunnen ombouwen tot een nieuwe Nationale
Investeringsbank waarmee de overgang naar een groene economie kan
worden begeleid. Maar wat doet hij? Hij laat de ABN Amro weer
klaarstomen voor het casino. Onze bestuurders hebben een gruwelijk
gebrek aan ideeën.” Met het noemen van de Nationale
Investeringsbank wijst Van Dieren nadrukkelijk naar het tijdperk van
wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog. „Dat was een succesvolle
periode waarin de politiek het voortouw nam. Denk aan iemand als
Mansholt. Die zette een systeem van regels op waarmee de
voedselvoorziening zeker werd gesteld. Dat zou hebben geleid tot
overproductie? In mijn optiek niet. Het systeem-Mansholt heeft geleid
tot voorraden waarmee voor drie jaar de behoeften aan vetten,
koolhydraten en eiwitten van de EU-bevolking is gedekt. Een reserve
dus. Nu is dat nog maar drie maanden. Dat is veel te weinig als je
denkt aan de droogtes en overstromingen die ons straks door
klimaatverandering gaan treffen.” Het Rijnlandse
model, een gereguleerde markteconomie zoals in de tijd van de
wederopbouw opgeld deed, is Van Dierens middel om het groene doel te
bereiken. „Ja, dat wil ik – en met mij de Club van Rome – uitdragen.
Overheden, burgers en bedrijven gaan samen de toekomst te lijf. Alleen
op die manier krijgen onze belangrijkste wensen vorm, en niet door
toevallige multinationale ondernemingen die een speelveld zonder ethiek
opeisen. „Het is een achterhaald cliché dat de
vrije markt superieur is. We moeten af van die WTO-mantra’s. De vrije
markt gaat er bijvoorbeeld van uit dat ondernemers beter zijn
geïnformeerd dan ambtenaren. Kijk eens naar General Motors en Toyota,
allebei grote autofabrikanten. General Motors heeft zitten slapen en is
nu op de fles. Toyota heeft de groene toekomst beter begrepen en begon
twintig jaar geleden al aan zijn hybride modellen. Kijk anderzijds eens
naar de Franse spoorwegen, de beste ter wereld en geleid door
ambtenaren.”
Terug 
|