|
|
|
Publicaties
Hieronder de complete lijst met artikelen die door IMSA zijn geschreven of over ons zijn verschenen. Klik in het menu hiernaast voor een overzicht per jaartal.
07 januari 2004 - Wouter van Dieren
De waddenmantra toegelicht
'Ik wil de Waddenzee redden en ik wil het kabinet redden', sprak Jan Pronk in december 1999, bij het toen hoog oplopende debat over het winnen van waddengas en het toestaan van boortorens. Beter dan in deze formulering kan de retoriek rond de Waddenzee niet worden uitgedrukt. Want er viel niets te redden, en Pronk moet dat geweten hebben. Gaswinning is milieuneutraal, eventuele boortorens kun je buiten de Waddenzee neerzetten en kabinetten hoeven er niet over te vallen, toen niet en nu niet. De vraag is dan hoe het zover heeft kunnen komen: waarom stond (en staat) het waddenaardgas symbool voor zoveel politieke verwarring, waarom is de wetenschap zo slecht gebruikt en gehoord, waarom heeft de milieubeweging de feiten verkeerd voorgesteld en waarom is er een wijdverspreide politieke mantra ontstaan die voorzichtigheid preekt maar het tegendeel veroorzaakt?
Bij het waddenconflict zijn vele partijen betrokken: landelijke en lokale overheden, politici en bestuurders, visserij, milieubeweging, wetenschap, recreatie, havenautoriteiten, energiesector en mijnbouwindustrie, en dat alles verdeeld over vele honderden primaire en een veelvoud aan secundaire actoren. En iedereen heeft fouten gemaakt, in zichzelf versterkende domino-effecten die ten slotte leiden tot het omgekeerde van wat men zo heeft beleden. In plaats van 'redding' is er nu sprake van aftakeling van de waddennatuur. De volgende trends, gebeurtenissen en feiten zijn van belang.
Dynamiek
Allereerst valt op dat veel betrokkenen de kern van de waddennatuur niet echt lijken te hebben begrepen, de wetenschap uitgezonderd. In de tientallen beleidsnota's die sinds 1974 (1) over het wad zijn verschenen (iedere actor heeft iets dergelijks in vele varianten geproduceerd), wordt steeds gesproken over een soort porseleinkast, over grote kwetsbaarheid en fragiliteit; een soort couveuse waarin het laatste restje natuur van Nederland aan de slangetjes ligt. In werkelijkheid is het gebied juist zeer robuust: het kan heel wat hebben. De oorzaak hiervan ligt in een begrip dat in de genoemde nota's niet uit de verf komt en dat zelfs voor de circa tweehonderd door ons geconsulteerde huidige actoren grotendeels onbekend is: de natuurlijke dynamiek. Deze dynamiek bestaat bij de gratie van de permanente verandering: geen stuk van het wad is na de volgende eb en vloed nog hetzelfde, alles verandert 24 uur per dag onder invloed van tij, wind, temperatuur, de migratie van miljoenen organismen (plankton, bodemdiertjes, vissen en vogels) en de beweging van zand, slib en voedingsstoffen. Deze dynamiek kent tijdschalen van minuten tot eeuwen en is goed voorspelbaar in gedrag en consequenties van ingrepen of autonome gebeurtenissen. Van weinig natuurgebieden is zo veel bekend als van de wadden(eilanden). Metingen van geomorfologische kustdynamiek, van plantensociologie en bentische populaties worden sinds het midden van de negentiende eeuw gedaan – geen ander natuurtype kan daarop bogen.
Besturing
Op basis van deze kennis zijn tal van beslissingen genomen om het waddensysteem te besturen. Zo besloten de Staten van Holland in 1629 om de separate zandplaat Eierland aan Texel vast te klinken, wat eveneens gebeurde met de Boschplaat en Terschelling in 1920. Hierbij gebruikte men zowel klassieke kustverdedigingswerken – het opspuiten van zand en (stuif)dijken – als de natuurlijke dynamiek, die binnen enkele decennia deze ingrepen deed verdwijnen onder een natuurlijke successie van geomorfologische (zand) en plantensociologische aard. Een stabiele rijkere natuur was het gevolg. Hetzelfde is gebeurd met waterstaatkundige ingrepen, waarmee de havenkommen van de Ballumer Bocht (Ameland) en West-Terschelling werden vastgelegd. Ook hier een technische interventie, op basis van een schitterend begrijpen van de hydrodynamiek van eb en vloed. Het besluit om de waddeneilanden 'vast te leggen' is geleidelijk genomen, vanaf het midden van de negentiende eeuw, en sindsdien heeft men ook dit proces in de greep, zowel waterstaatkundig, geomorfologisch als biologisch. Het besluit om het vogeleiland Griend niet te laten wegspoelen werd in 1988 genomen op dezelfde gronden: men kende alle processen. De aldus beheerste natuur kwam in de plaats van de oernatuur, waarbij het wad aan zijn lot werd overgelaten en we dus de kolonie grote sterns van Griend zouden verliezen.
Inpoldering
In de lokaal georganiseerde kennis van duinen, platen en geulen tussen kustbevolking, waterstaters, SBB, biologen, vissers en lokale bestuurders is verandering gekomen in de jaren zeventig en tachtig, toen de beleidsontwikkeling op aandringen van de milieubeweging in het gebied op gang kwam, met als ijkpunt de eerste PKB van 1980. Daartoe bestond in eerste instantie zeker aanleiding. Nog in 1965 ijverde de Friese Maatschappij voor Landbouw voor inpoldering van het Amelander wad. Delen van Dollard en Balgzand zouden ook ingepolderd moeten worden, en ooit bestonden er plannen voor een zeer grootschalige haven en petrochemie in Delfzijl en Eemsmond. En de Dollard werd ternauwernood gered (door de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren uit 1970) van de zogenaamde smeerpijp van de Groningse strokarton- en aardappelzetmeelindustrie, die ongezuiverd afvalwater op de Waddenzee zou lozen.
Planologische kernbeslissing
Acties van maatschappelijke organisaties tegen deze plannen hebben geleid tot een geheel nieuw beheersconcept. Niet langer hebben lokale kennis en lokale waterstaat het voor het zeggen. In plaats daarvan is het volgende patroon ontstaan. De Planologische Kernbeslissing Waddenzee, die sinds 1980 bestaat (PKB 1, 2, 3) is de alomvattende Kaderwet Waddenzee. Bij gebrek aan beter is gekozen voor het enige integrale instrument dat indertijd bestond, de PKB, die een ruimtelijk ordeningsinstrument is en niet uitgaat van ecologische of economische principes. Op basis hiervan moeten de provincies een regionaal beleidsplan samenstellen. Dit vormt op zijn beurt voor de gemeenten de basis voor de bestemmingsplannen. Een dergelijke opeenvolgende planvorming is een continu proces, wat niet ongunstig is, mits men kan inspelen op actualiteiten of nieuwe inzichten. En dat kan nu juist niet, zodat de PKB Waddenzee bekend staat als een weinig populaire beleidsnota. De oorzaak hiervan is de volgende.
Opvallend is dat de PKB-procedure inhoudelijk weinig diepgang heeft. Weliswaar komt een baaierd aan onderwerpen ter sprake, alle zeer zorgvuldig en met grote kennis van zaken behandeld, maar de toonzetting is defensief en evasief: ook hier beschouwt men de Waddenzee als een kasplantje waarvoor in generieke zin risicomijdend gedrag moet worden voorgeschreven. Openhartige evaluatie van voorgaande plannen gebeurt niet (2). Voor natuurontwikkeling zoals die de afgelopen eeuwen voortdurend heeft plaatsgevonden, is de afgelopen twintig jaar geen plaats meer. Een analytisch risicokader hiervoor ontbreekt. Dit is indicatief voor wat er uiteindelijk in het totale waddenbeleid niet blijkt te kloppen: zonder objectieve, meetbare risicocriteria wordt beleid onderwerp van willekeur naar politieke of moralistische maatstaven. De regelgeving wordt een systeem op zichzelf, met een hoge symboolwaarde. Denk aan de gemaximeerde jachthavenplaatsen, wat niets zegt over de werkelijke effecten van die boten op de Waddenzee: zij liggen immers stil. Het aantal varende schepen is in principe ongelimiteerd, en die hebben juist weer wel effect. De buitenhaven van Lauwersoog mag niet worden ingericht als haven voor wadzeilen, wel voor de Noordzee. Achter de sluis mogen juist weer wel wadschepen liggen. Het is onvoorstelbaar komisch. Hoogtepunt van de symboliek is de zeehondenopvang. Was de Tweede kamer in 2002 kamerbreed tegen zeehondenvaccinaties (Alterra en EcoMare hadden wetenschappelijk aangetoond dat dit biologisch gezien onverstandig was), twee maanden later was de Kamer voor, na een bezoek van de zeehondencrèche aan Den Haag.
Bezwaarschriftenmachine
Geleidelijk veranderde in de laatste tien tot vijftien jaar de rol van de maatschappelijke organisaties van die van waakhond naar die van moralistische boeteprediker: een 'bezwaarschriftenmachine', in de woorden van de bestuurders van het gebied. Ieder plan en iedere vergunningverlening kan rekenen op een standaardprocedure, waarbij de inhoudelijke rechtvaardiging gelijk is aan die van de PKB-toonzetting: alle activiteiten zijn per definitie een aantasting, alles is 'erg' of 'heel erg' en de risico's zijn per definitie groter dan welke voordelen dan ook. Waaraan deze oordelen worden gemeten is onduidelijk. 'Je weet nooit waar je aan toe bent', aldus de gemeentebestuurders. De beleidsplannen van deze organisaties zijn opsommingen van de vermeende aantastingen, waartoe men opvallend genoeg alle menselijke activiteiten rekent: woning- en dijkenbouw, havenwerken en -diensten, veerboten, toerisme, recreatie, hotelbouw, jachthavens, verkeer, mijnbouw, industrie, visserij, windmolens, baggeren, zandwinning, kustverdedigingswerken, enz. Landelijke maatschappelijke organisaties hebben zich allengs ontwikkeld tot de ordedienst van het gebied, die deze activiteiten waar mogelijk moet weren of op z'n minst beperken.
In termen van 'groene marketing' is de strategie van deze organisaties succesvol geweest. Zij heeft ervoor gezorgd dat politiek en bestuur het waddengebied in een couveuse hebben gestopt. Iedereen die eraan wil komen, krijgt een publieke tik op de vingers. 'Handen af' is aldus een mantra geworden die de boventoon in het beleid is gaan voeren. Deze algemene restrictiviteit is in zeker opzicht gewenst: het houdt bestuurders scherp, iedereen weet dat voorzichtigheid is geboden. Tegelijkertijd is ze de oorzaak dat er geen meetbare norm meer gehanteerd wordt bij welke beleidsplanning dan ook. Hierdoor is een ongrijpbaar middenspeelveld ontstaan waar partijen hun eigen principiële normstelling inbrengen, in de vaste overtuiging dat dit de enige norm is, superieur aan die van de anderen. Sommige maatschappelijke organisaties noemen deze norm de 'integriteit' of de 'intrinsieke waarde' van het wad. Voor anderen geldt de vogelstand als de absolute norm. Organisaties met economische doelstellingen reageren met dezelfde retoriek. De schelpdiervisserij brengt de vangstquota en economische activiteit in, omlijst met eigen normen en interpretaties over draagkracht en natuur. Economische lobby's poneren een andere normatieve rangorde, waarbij de nieuwste claim is dat de handen-af-mantra zorgt voor het verlies van 4200 arbeidsplaatsen alleen al in de kop van Noord-Holland.
Ook de politiek gaat in deze niet vrijuit. In plaats van orde te scheppen in de polarisatie, laat de politiek de oren hangen naar eerst weer de ene, dan weer de andere zijde van de discussie. En vrijwel altijd ook zonder te zoeken naar ecologische onderbouwing. Zo gaat de discussie in het ene provinciehuis over het verleggen van de PKB-grens opdat Den Helder meer armslag krijgt, terwijl in een ander provinciehuis principieel tegen gaswinning gestreden wordt.
Moraliteiten
In principe kan een conflict om de inzet van schaarse natuurmiddelen op deze manier niet worden opgelost, omdat niet een te meten objectiviteit doch een aantal groepsgebonden moraliteiten de inzet zijn. Dit leidt in de praktijk tot willekeur, tot ad hoc politieke interventies of evasiviteit, en tot intensief lobbyisme. Wie de waan van de dag het best bespeelt, wint. Terwijl de gaswinning om mantraredenen werd getroffen door het voorzorgsbeginsel, gold voor de kokkelvisserij het omgekeerde principe: eerst toestaan en dan wellicht bewijzen dat er schade optreedt. Uit het oogpunt van gelijkberechtigend en zorgvuldig bestuur een merkwaardige gang van zaken. En waarom gaat alle aandacht uit naar de gasvelden in de oostelijke Waddenzee, terwijl voor de locatie Zuidwal nog in 2003 zonder enig publiek rumoer een boorvergunning is verleend?
Een mega-effect van dit conflict tussen moraliteiten is de bestuurlijke verlamming. Als feiten en data worden overschaduwd door publieke ongrijpbaarheden, dan verliest het bestuur het houvast. Waarom mag iets niet, of wel? Waarom heet alles een aantasting, als tevens onduidelijk is wat dat precies betekent? Als behoud voorop staat, wat moet er dan worden behouden? Zoveel vogels? Zoveel mosselbanken? Zoveel hectare kwelders en schorren? En op basis waarvan stellen we vast hoeveel zoveel is? Voor welke economie moet hoeveel natuur wijken?
Om dit dilemma op te lossen kiest het bestuur op basis van de ingebrachte moraliteiten: daarmee voorkom je in ieder geval dat je wordt veroordeeld tot politiek verlies. Symbool hiervoor is het waddengas: als je daartegen bent, dan wordt aan alle morele verplichtingen voldaan en ontloop je publieke straf. Het is opmerkelijk hoe politieke partijen en bestuurders over elkaar heen buitelen in hun ijver om te verklaren dat ook zij tegen het boren naar gas in het wad zijn en dus vóór de Waddenzee. Iedere rationaliteit is hier uitgebannen.
Je mag verwachten dat de overheid in deze situatie haar verantwoordelijkheid neemt, omdat natuur en economie schade ondervinden en omdat het bestuur in een impasse is geraakt. In zekere zin gebeurt dat ook, maar vooral op een volgende evasieve manier: door steeds weer adviesraden, overlegcolleges, samenwerkingsverbanden en commissies in te stellen. Resultaten als het Trilaterale Waddenzeeplan uit 1997 lijken belangrijk, maar zijn juridisch en beleidsmatig niet bindend. In de praktijk blijken de overheden zich hieraan niet gecommitteerd te voelen.
Onderzoek en verantwoordelijkheid
Het is de mijnbouwsector die uiteindelijk de door de overheid verwaarloosde verantwoordelijkheid naar zich toetrekt. In bijlage 1 staat een overzicht van de initiatieven die werden genomen met als belangrijkste doel data te verkrijgen en feiten te rangschikken. Daarbij valt het volgende op.
In 1998 is de Integrale Bodemdalingstudie Waddenzee (IBW) gepubliceerd. De conclusies hiervan werden niet betwist om hun inhoud, maar vanwege het feit dat ze aansluiten bij de wensen van de NAM, de opdrachtgever van het onderzoek. Niet om de boodschap, maar om de boodschapper. De studie voldoet echter aan alle eisen van kwaliteit, peerreview en onafhankelijkheid.
De conclusies van de IBW zijn duidelijk: bodemdaling door gaswinning kan lokaal tot veranderingen in de vegetatieopbouw van de kwelder leiden. In ecologische termen: die vegetatie gaat terug in de successie, kweldergras maakt plaats voor pionierplanten. Estuariene pioniergebieden zijn rijker aan biodiversiteit dan climaxkwelders. Ergo: de natuur/biodiversiteit wordt er beter van.
De IBW omschrijft deze effecten in een defensieve toonzetting: men schijnt zich bij voorbaat te moeten verdedigen tegen de eerdergenoemde moraliteiten.
Volgens gangbare wetenschappelijke gewoonte eindigt de studie met het opsommen van openstaande onderzoeksvragen. De reacties van maatschappelijke organisaties, media en politici gingen niet in op de conclusies van de IBW over bodemdaling door gaswinning, maar op deze vragen, op grond waarvan men meent te kunnen concluderen dat de studie juist geen uitsluitsel geeft en dat de onzekerheid domineert. De regering vraagt in 1999 over de IBW een derdenoordeel aan een commissie van zeven hoogleraren, met een onmogelijke vraagstelling: kunnen er sluitende garanties worden gegeven dat bodemdaling als gevolg van gaswinning niet leidt tot blijvende aantasting van de essentiële kenmerken van de Waddenzee? Men vraagt, met andere woorden, of het na de gaswinning voortaan niet meer zal waaien op het wad. In een gebied waar alles permanent verandert, wordt totale stilstand geëist. De commissie had de opdracht moeten teruggeven. In plaats daarvan antwoorden de wetenschappers in hun individuele antwoorden dat 'het wegnemen van onzekerheden voorafgaand aan het beginnen van een activiteit een prima doelstelling is, maar onmogelijk te realiseren'. Daarnaast wijzen zij erop dat er ook positieve effecten van gaswinning zijn en dat het niet wetenschappelijk is zich alleen op de IBW te baseren. Deze is immers maar een fractie van alle kennis over de Waddenzee.
Nieuw is het opduiken van oude informatie die door de genoemde studies over het hoofd is gezien. In de publicatie GRIEND door Brouwer et al. van 1950 worden de ecologische gevolgen beschreven van de afsluiting van de Zuiderzee (1932). Daardoor trad tussen 1928 en 1936 een gemiddelde vloedstijging op van totaal tien centimeter, wat gelijk staat aan tien centimeter bodemdaling. Dit heeft effecten op de plantensociologie van de kwelders rond de Waddenzee. Op Griend worden deze gedurende een groot aantal jaren geïnventariseerd. Men komt tot dezelfde conclusies als de IBW met betrekking tot deze effecten op Ameland: de kwelders gaan terug in de successie, de natuurlijke sedimentatie compenseert het vloedeffect volledig, en niet over bijvoorbeeld vele decennia, maar over een periode van acht jaar.
Geloofsbrieven
Een belangrijk gevolg van deze gebeurtenissen is dat de Waddenzee uit de politieke aandacht verdween: met het vestigen van de mantra spreidde zich een soort definitieve mantel der liefde over het wad uit. Duizend keer wordt de mantra herhaald, en daarmee zijn beleid en politiek klaar met het wad. Bestuur en politiek kunnen ermee volstaan 'handen af' te roepen, en 'tegen gasboringen'. Daarmee geeft men z'n groene geloofsbrieven af. Dat er vanaf 1990 een drastische verandering in de schelpdiervisserij optreedt, bereikt de politieke agenda niet. Dat er even drastische veranderingen in het waddenmilieu optreden, interesseert niemand meer.
Omdat de maatschappelijke organisaties de wetenschap grotendeels vervingen door mantra en moraliteit, ontbreekt de klassieke groene coalitie tussen kennisopbouw en activisme, waarmee men media en politiek kan motiveren. In 1999 boeken ze een grote overwinning als het kabinet besluit geen gasboringen meer toe te staan. Maar dan gebeurt er iets vreemds: kort na dit besluit begint de Waddenvereniging een ledenwerfcampagne met als thema de strijd tegen de boortorens. Gevraagd naar de reden van deze merkwaardige tournure, zegt de vereniging dat dit 'strategie' is.
Opmerkelijk is eveneens hoe formele beleidsinstanties in het gat springen dat de maatschappelijke organisaties zo hebben laten ontstaan. In hoog tempo ontwikkelt zich een krachtig kennisnetwerk dat het waddengebied in zijn vingers krijgt: NIOZ, RIVO, RIKZ, Alterra, RuG, LNV-Noord, RWS-Noord, VROM, SBB en Natuurmonumenten, maar ook de NAM. In dit netwerk worden de genoemde maatschappelijke organisaties getolereerd, maar men vreest ze ook voor hun dominante rol in de politieke mantra. Dit laatste wordt de kern van het waddenconflict: als zoveel kennis niet kan doordringen tot beleid en politiek, omdat men niet door de sluis van de mantra der maatschappelijke organisaties komt, dan raakt het gebied stuurloos.
De Waddenadviesraad functioneert in deze situatie als bruggenbouwer: de adviezen die men uitbrengt zijn te interpreteren als pogingen om de genoemde kennis wel naar het beleid en de politiek te brengen. Dat de adviezen grotendeels worden genegeerd is geen wonder: de mantramantel zorgt daarvoor.
Uitruil
In 1994 bezoekt een groene delegatie onder leiding van dr. P. Winsemius (dan voorzitter van Natuurmonumenten) het kabinet met een voorstel tot een deal: men is bereid gasboringen en gaswinning in het wad toe te staan, mits de overheid de kokkelvisserij uitkoopt. Tevens zet Winsemius vraagtekens bij de gasprijzen, de gasbaten, de verdeling daarvan en de zogenaamde eeuwigdurende rechten van de mijnbouwsector op de delfstoffen uit de Nederlandse bodem. Het initiatief heeft een breed groen draagvlak. De ministeries van Economische Zaken en Financiën wisselen in de periode daarop concepten uit over de Winsemiusdeal, maar er volgen geen formele ambtelijke en dus politieke stukken. Een interne notitie binnen VROM over de geringe effecten van bodemdaling op de waddennatuur wordt door de minister terugverwezen.
Nieuw akkoord?
Vanaf 1968 zijn verschillende akkoorden gesloten waarin Den Haag zich verplicht om gasgeld terug te geven aan het Noorden voor grootschalige investeringen. Eemshaven en Delfzijl-chemie zijn een resultaat hiervan. Deze akkoorden zijn verouderd volgens de noordelijke bestuurders. Het zogenaamde Bodemdalingsfonds is rijkelijk gevuld, zo'n driehonderd miljoen euro, en wordt alleen gebruikt voor wat je cosmetisch pleisterwerk kunt noemen (een brug hier, een sluisaanpassing daar, herstel van scheuren en verzakkingen). Dit terwijl Nederland door ondertekening van de Convention on Biological Biodiversity 'should internalize costs and benefits in the given ecosystem to the extent feasible'. Noordelijke frustraties over achterstelling door Den Haag zijn groter dan men denkt. Gemeenteraden, staten noch gedeputeerden zullen bereid zijn de mantra op te geven als er geen substantiële nieuwe voordelen tegenover staan.
Neem het voorbeeld van de gemeente Harlingen. Men wil daar de haven buitendijks uitbreiden, ten koste van vijftig tot honderd hectare wadden. De handen-af-mantra verhindert dat, de procedures zullen jaren in beslag nemen en de uitslag is onzeker tot waarschijnlijk afwijzend: ook de Raad van State hanteert bij zijn oordeelvorming aan moraliteiten en mantra's ontleende uitspraken. Van de gemeenteraad kun je dus niet verwachten dat men van positie verandert: er valt niets mee te winnen. Men is zelfs doende de mossel- en kokkelvisserij de hand boven het hoofd te houden, ondanks de (vermeende) wadschade door deze sector. Reden: de schepen zorgen voor wat lokale werkgelegenheid. Met een eventueel toestaan van gaswinning valt er onder de huidige omstandigheden voor zo'n gemeenteraad dus niets te winnen. Dat verandert als die omstandigheden veranderen. Als er extra fondsen uit gasbaten terugvloeien naar het Noorden, niet zozeer voor uitkoop van kokkelvissers of modernisering van de mosselteelt, maar voor investeringen in werkgelegenheid en moderniteit: havens, chemie, technologie, scheepvaart, energie, infrastructuur, kwaliteitstoerisme, zoals steeds weer wordt gezegd. En als de ongrijpbaarheid van mantra en moraliteit wordt vervangen door beleid conform objectieve criteria: 'We moeten weten waar we aan toe zijn.' (3)
Klimaatverandering
Tot slot: de meest reële bedreiging van de Waddenzee is de klimaatverandering. Bij verschillende IPCC-scenario's stijgt de zeespiegel in honderd tot honderdvijftig jaar te hard voor compensatie door de natuurlijke sedimentatie. Het resultaat zal zijn dat de Waddenzee verdrinkt. Je kunt dit een natuurlijk proces noemen (wat het niet is) en het op z'n beloop laten. Essentieel is echter de keuzevraag: wat willen we met het wad? Als we denken dat het hier gaat om een stuk oernatuur, dat we zoveel mogelijk moeten loslaten, leidt dat zeker op een dag tot nieuwe 'evenwichten'. De praktijk laat zien dat we dat de laatste eeuwen juist niet hebben gedaan: het wad is een antropoceen, we hebben het grotendeels zelf zo gemaakt. Nederland kent geen oernatuur. Alles is beleids- en beheersgebied. Een klimaatdeltaplan voor het wad is daarom consequent. Het is alle hens aan dek voor behoud en herstel. Met veel geld. Met visie. Organisatie. Planning. Engineering. En stabiliteit. Voor de lange termijn. Voor de krachten die objectiviteit, feiten, data, meetmethoden, risicoanalyse en planvorming afwijzen is in zo'n visie geen plaats.
noten:
(1) De rapporten van de Commissie-Mazure (1974) en de Commissie-Staatsen (1976) worden gezien als omslag in het maatschappelijk denken over de Waddenzee. Vanaf toen werd de Waddenzee algemeen beschouwd als natuurgebied.
(2) Aardig in dit verband is het proefschrift van Verbeeten (1999) over het leervermogen van bestuurders, politici en maatschappelijke organisaties. Verbeeten concludeert dat dit leervermogen niet bijster groot is, doordat men de nadruk legt op het zoeken naar een machtsbalans in plaats van efficiënt bestuur.
(3) Een voorbeeld is nogmaals de havenuitbreiding bij Harlingen. In de woorden van de mantra is dit een aantasting. In het kader van de moraliteit is het een inbreuk op de intrinsieke integriteit van het wad. In milieukundig opzicht is er sprake van a) dijkenbouw, wat ten koste gaat van wadplaten (voor zover aanwezig), met mogelijk een gunstig biotoopeffect op schelpdierontwikkeling (mosselen, alikruiken?) en vogelstand (eiders, steltlopers) en b) uitdieping van haven en vaargeul, waardoor een zeker oppervlak aan wadplaten afkalft, wat voor vertroebeling van het water zorgt, maar in latere fasen juist weer voor meer helderheid en biotoopvoordeel voor bepaalde vissoorten.
Bijlage 1: Studies vanaf 1992 over de relatie tussen gaswinning en natuur
1992: Openbaar bodemdalingsdebat (Koninklijke Academie van Wetenschappen), Vaste Kamercommissie der Zeeën (bestaat niet meer), NIOZ, UvA, RUU, SodM, RGD, RWS, Alterra
1994: MER Noordzeekustzone + Ameland, Alterra Wageningen/Texel, TNO Den Helder, NIOZ, Waterloopkundig Laboratorium, Haskoning
1994: Louters, T & F. Gerritsen (Project ISOS); Bijdrage K.Essink et al., 'Het mysterie van de Wadden. Hoe een getijdensysteem inspeelt op zeespiegelstijging', Ministerie V&W, D.G. RWS, RIKZ, ISBN 90-369-0074-3 Rapport RIKZ-94.040, Den Haag
1995: MER Waddenzee, Alterra Wageningen/Texel, TNO Den Helder, NIOZ; Waterloopkundig Laboratorium, Haskoning
1997: Monitoring boring N7, NOIZ, Alterra, KEM
1999: Integrale Bodemdalingstudie Waddenzee, NAM, NIOZ, Alterra Wageningen/Texel, Waterloopkundig Laboratorium, Universiteit Utrecht
2000: Begeleidingscommissie Monitoring Bodemdaling Ameland, Monitoring effecten van bodemdaling op Ameland-Oost - evaluatie na 13 jaar gaswinning - Samenvatting. NAM, Wintermans Ecologenbureau (WEB), Natuurcentrum Ameland, Noordelijk Akoestisch Adviesbureau (NAA) en Stichting ter bevordering Natuurwetenschappelijk Onderzoek (SBNO)
2001: Alterra visie: bodemdaling door gaswinning onder de Waddenzee, Alterra, Texel
2001: Actualisatie MER proefboring Noordzeekustzone Rapport Milieu-effectstudie winning Moddergat, Lauwersoog
2002: Vogelevaluatie-onderzoek Ameland, Natuurcentrum Ameland
2002: Alterra visie: bodemdaling door gaswinning onder de Waddenzee, Alterra, Texel
2003: Rapport over variabiliteit van wadplaten, Natuurcentrum Ameland
2003: Kersten, M., Effecten van sedimentatie en erosie op de hoogteligging van het wad onder Oost-Ameland - Tussentijdse rapportage tot en met maart 2003, Commissie Monitoring Bodemdaling Ameland.
Toelichting
Ad 1 Wetenschappelijk congres over bodemdaling in de Waddenzee op verzoek van de Tweede Kamer.
Hoofdconclusie: Gaswinning heeft gevolgen en de effecten van bodemdaling op de natuur zijn relatief gering. Onder de meest ongunstige omstandigheden kan een toename van de erosie van de eilandkust optreden maar additionele zandsuppletie kan dat effect verminderen zoniet volledig opvangen.
Ad 2 In de Milieu-effectrapportage (MER) wordt antwoord gegeven op de vraag hoe, waar en wanneer proefboringen het meest milieuvriendelijk en technisch kunnen worden uitgevoerd. Op basis van een milieu-effectonderzoek wordt geconcludeerd dat de milieu-effecten en risico's minimaal zijn en voor zover aanwezig beheersbaar. Hiermee is de centrale vraag uit de MER in feite positief beantwoord: 'Kunnen proefboringen worden uitgevoerd zodat, met inachtneming van belangen als veiligheid, zo weinig mogelijk risico voor het ecosysteem en voor het menselijk gebruik van de Waddenzee en Noordzeekustzone ontstaat?'
Ad 4 In de MER is voor elk prospect een meest milieuvriendelijk en technisch uitvoerbaar alternatief ontwikkeld voor het uitvoeren van de proefboringen in de Waddenzee. Op basis van de resultaten van het milieu-effectonderzoek is geconcludeerd dat de proefboringen in principe geen wezenlijke afbreuk doen aan de hoofddoelstelling van de PKB-Waddenzee.
Ad 5 Het rapport beschrijft de resultaten van de monitoring van het mariene milieu rond de proefboring op de locatie N7 in het zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog. In ecologisch opzicht is de boring vergelijkbaar met de boringen in de Noordzeekustzone (2). De monitoring is uitgevoerd om ontbrekende detailgegevens te verzamelen ten aanzien van mogelijke effecten van proefboringen op flora en fauna in de kustzone. Er is gekeken naar effecten van licht, geluid, aanwezigheid, transporten en lozingen van het boorplatform. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er geen meetbare negatieve ecologische effecten zijn gevonden maar dat er enige leemte in de kennis op het gebied van geluidgevoeligheid voor vogels en zeehonden blijft bestaan.
Ad 6 In dit rapport worden conclusies ten aanzien van effecten op onderdelen van het ecosysteem getrokken en worden maatregelen geïdentificeerd. Conclusies ten aanzien van het ecosysteem gebaseerd op het maximale winningscenario van bestaande en nieuwe velden: Sediment De omvang van de bodemdaling wordt (bij de huidige zeespiegelstijging) in een aantal decennia volledig gecompenseerd door sedimentatie van zand uit de Noordzeekustzone en slib. Het grootste deel van deze compensatie vindt plaats tijdens de gaswinningsperiode zelf.
Als bij een hoge/extreme zeespiegelstijging in het betreffende gebied meer sediment nodig is voor compensatie dan kan worden aangevoerd, komt dat gebied dieper te liggen waarbij bodemdaling verantwoordelijk is voor het een aantal decennia eerder bereiken van die diepteligging.
Het zand voor compensatie wordt uiteindelijk onttrokken aan de Noordzeekustzone waardoor de huidige gevallen van kustafslag beperkt kunnen toenemen.
Waterdiepte
Veranderingen in waterdiepte zijn gering vergeleken met lokale fluctuaties. Kwelder De streefwaarde voor de kwelder kan worden benaderd of overschreden terwijl lokaal op de kwelders van Noord-Groningen de grenswaarde voor de pionierzone kan worden overschreden.
In bepaalde gevallen kan het succes van de voorgenomen verkweldering in de zomerpolders worden bedreigd. Bodemfauna De effecten op bodemfauna zijn marginaal en gelet op de bestaande variatie verwaarloosbaar. Vogels Onder de huidige zeespiegelstijgingcondities en het maximale bodemdalingsscenario wordt bij de te verwachte compensatie ten aanzien van sediment een lokaal gemiddelde afname verwacht van 6% (+9% tot -23%); een afname die zelfs onder het maximale scenario waarschijnlijk niet kan worden aangetoond omdat de variatie in aantallen vogels in een vergelijkbaar gebied (25-30%) groot is.
Andere fauna dan vogels en habitats uit de Habitatrichtlijn
Geen beïnvloeding.
Ad 7 Aanvulling op de MER (2) waarin ten aanzien van Ballum conform het advies van de Commissie-MER de volgende informatie is opgenomen:
gegevens betreffende de ecologie van het binnendijkse gebied, met name ten aanzien van aldaar verblijvende vogels
gevoeligheidsgrenzen
milieugevolgen proefboring Ameland
monitoringsprogramma
fysieke en/of financiële compensatiemogelijkheden ten aanzien van zichthinder
In het rapport worden geen conclusies getrokken maar de vragen beantwoord die de Commissie-MER heeft gesteld in reactie op de MER.
Ad 9 Situatie ten aanzien van de sedimenthuishouding ongeveer hetzelfde als bij de Groninger kwelders. Vergeleken met Ameland vindt er minder bodemdaling maar meer opslibbing plaats, zodat geen negatieve effecten op het wad en de kwelders worden verwacht.
Ad 10 Beschrijving van de verspreiding van wadvogels onder Oost- en West-Ameland en de mate waarin verschillende populaties kunnen worden beïnvloed door een afname in de draagkracht van hun voedselgebied als gevolg van bodemdaling. Gekeken is naar de variatie in aantallen binnen en buiten de bodemdalingschotel en aan de west- en oostzijde van het eiland.
Een aantal soorten foerageert in de bodemdalingschotel. Het betreft soorten als aalscholver, bergeend, kluut, bontbekplevier, zilverplevier, rosse grutto, kanoet en bonte strandloper. De variatie in aantallen is groot over de jaren maar het verloop in de aantallen van de populatie onder Oost- en West-Ameland is gelijk. Hieruit kan worden afgeleid dat de voedselsituatie op beide locaties dezelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat bodemdaling geen merkbare invloed heeft op de wadvogelaantallen.
Ad 12 Beschrijving van de ontwikkeling van de hoogteligging van het wad bij Ameland-Oost onder invloed van bodemdaling en sedimentatie/erosieprocessen; een en ander als aanvulling op de Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee (6).
Over het geheel genomen is er sprake van netto sedimentatie, voldoende om de bodemdaling van de ondergrond te compenseren. Enkele perifeer gelegen meetpunten aan de rand van een geul laten een daling zien, wat bij ongewijzigde ontwikkeling resulteert in een iets steilere helling tussen eiland en eerste geul. Er zijn wel effecten gemeten op delen van de kwelder die verder van het wad zijn gelegen: de opslibbing blijft achter bij de bodemdaling en op een locatie is de vegetatie naar een jonger stadium in de successie teruggekeerd. Blijvend zal deze verandering naar verwachting niet zijn, aangezien de opslibbing doorgaat. Schade kan deze verandering niet worden genoemd, omdat veroudering van kwelders als een probleem voor de natuurlijke waarden wordt gezien; bodemdaling vertraagt de veroudering van kwelders en kan naar verwachting de natuurwaarden verhogen.
Terug 
|
|
|
|