|
|
|
Publicaties
19 oktober 2005 - Wouter van Dieren
Bezinning nodig over energiebeleid
Het onderstaande vormde de basis voor het artikel zoals dat op 8 november jl. verscheen in NRC Handelsblad.
Dezer dagen heeft het kabinet een wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd
dat, indien het zou worden aangenomen, het voorlopig laatste hoofdstuk
betekent van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Het voorziet
in een splitsing van de energiebedrijven in afzonderlijke handels- en
leveringspoten, die dan kunnen worden geprivatiseerd, en transport- en
netwerkbedrijven, die t.z.t. voor 49% aan marktpartijen zouden moeten
worden verkocht en voor de rest in publieke handen moeten blijven.
De idee hierachter is dat de vier grote Nederlandse
elektriciteitsbedrijven Nuon, Essent, Eneco en Delta uiteindelijk te
gering van omvang zijn om zelfstandig te overleven en derhalve –
indien geprivatiseerd – op een dag overgenomen zullen worden door
Europese giganten zoals het Duitse RWE en het Franse EDF. Door deze
schaalvergroting ontstaat een oligopolistische markt. Hou het net dus
in publieke handen, dan biedt dat enige bescherming tegen dit geweld,
zo redeneert de politieke linkervleugel. Neoliberalen hebben een ander
motief: splits de netten af, dan vervalt daarmee een gemakkelijke,
financiële melkkoe voor de grote vier, die aldus gedwongen worden hun
kernactiviteiten, productie en handel, efficiënter te maken. Beide
stromingen menen bovendien dat andere aanbieders eerlijker kunnen
concurreren op de distributienetten als ze niet meer in handen zijn van
deze producenten.
Over dit voorstel is grote ophef ontstaan, en dat is geen wonder. Het
gaat om een dossier van 24 miljard euro, het grootste bedrag waarover
de Kamer ooit heeft moeten beslissen; het gaat over de overleving van
grote bedrijven, over het verlies van duizenden arbeidsplaatsen, over
de door de kiezer betwiste en afgestrafte rol van Europa, over klimaat
en over consumentenbelangen. Onzes inziens gaat het over nog meer: de
sinds kort totaal veranderde energiesituatie in de wereld, die haaks
staat op wat Nederland in zijn eigenwaan dreigt te gaan doen.
In de Memorie van Toelichting wordt in ongewone superlatieven over het
wetsvoorstel gesproken. Er zullen nieuwe impulsen ontstaan voor de
keuzevrijheid van de afnemer. De tarieven zullen eindelijk de
werkelijke kosten van productie en levering weerspiegelen. De
toezichthouder DTe krijgt beter inzicht in transparantere prijzen. De
energievoorziening wordt efficiënter, betrouwbaarder en duurzamer. De
concurrentie wordt eerlijker, investeringen kunnen beter op elkaar
worden afgestemd, stroomstoringen kunnen beter worden voorkomen of
sneller opgelost. Optimalisatie van bedrijfsprocessen,
kwaliteitsverbetering, afstemming met Europa: een schitterend
vergezicht openbaart zich, de minister zit op rozen, de Kamer hoeft
alleen nog maar ja te zeggen en de consument wordt ten slotte de
grootste winnaar. Het is te mooi om waar te zijn – en het is dan ook
niet waar.
In de Tweede Kamer is een merkwaardige coalitie ontstaan die het
wetsvoorstel om uiteenlopende motieven steunt. De oppositie die zijn
zin krijgt, dat is zelden vertoond. Het PvdA-kamerlid Crone ziet
zichzelf als een marktsocialist en de geestelijke vader van het
wetsvoorstel. Zijn zorg is dat de publieke zaak van de
elektriciteitsvoorziening uit handen van de private sector moet
blijven, en dat doe je door de netten te onteigenen en aan de overheid
terug te geven. Vreemd genoeg tolereert hij een eventuele verkoop tot
49% van de aandelen aan derden, als dat maar niet de productiebedrijven
zijn, alsof een minderheidsaandeel van deze omvang geen invloed zou
hebben. Waarom juridische splitsing niet voldoet, met alle
interventierecht door de toezichthouder DTe, en eigendomssplitsing wel,
kan hij niet uitleggen, behalve dan dat hij het bedrijfsleven wantrouwt
en zeker de energieondernemers.
Het VVD-kamerlid De Krom heeft andere motieven. Voor hem geldt dat deze
bedrijven een soort kartel zouden vormen dat de energieprijzen te hoog
houdt. Hij wil vooral marktwerking en hoopt daarmee op lagere prijzen.
Hij eist meer zogenaamde interconnectiecapaciteit ofwel netten die
meer stroom van over de grens kunnen importeren. Buitenlandse
aanbieders kunnen inderdaad goedkopere stroom leveren. Dit betreft dan
vooral de zwaar gesubsidieerde bruinkoolstroom uit Duitsland en de
besmette en decennialang gesubsidieerde kernenergiestroom uit
Frankrijk. Schone, efficiënte en duurdere gascentralestroom inruilen
voor deze dubieuze import, dat heeft weinig te maken met marktwerking.
Dat in Duitsland al jaren wordt gewerkt aan het afbouwen van die
subsidies zullen we dus pas merken als het te laat is.
Ter linkerzijde hadden GroenLinks en de SP het tot voor kort vooral
gemunt op een laatste rem op de privatisering, en voor hen is dat de
bescherming van de netten. Men twijfelt echter over eventueel lagere
prijzen voor de consumenten, omdat het algemeen bekend is dat
elektriciteit voor de kleinverbruiker geen echte concurrentie mogelijk
maakt. De consument vraagt bovendien niet om eindeloos internetgezoek
of agressieve telefoonverkopers waarmee tenslotte tot enige tientjes
per jaar verdiend kan worden ten koste van veel gedoe en ergernis. De
opbouw van de tarieven ligt immers vast. Van vijftien cent per kWuur is
ongeveer twee cent vrij om mee te spelen. En dus is er geen echte
concurrentie. Sommigen in de hoek van klein links menen dat de netten
publiek kapitaal betreffen. Dat is onjuist. Niet de belastingbetaler
maar de afnemer heeft ervoor betaald, ondanks het feit dat overheden de
eigenaren zijn.
Splitsing betekent een grote verzwakking van een potentieel sterke
industriesector: de Nederlandse energiebedrijven inclusief de olie- en
gassector en de research behoren tot de wereldtop. Het wetsvoorstel
gooit die bedrijven weg, en de minister van Economische Zaken zegt daar
niet wakker van te liggen, want hij is er niet voor de
industriepolitiek maar voor de consument. Hoe hij dat rijmt met al zijn
buitenlandse collega's die zich als boegbeeld voor hun eigen industrie
beschouwen, is onduidelijk, en de consument is straks niet alleen
duurder uit, maar ook vuiler en werklozer.
Inmiddels ligt er een stapel rapporten waarin van het wetsvoorstel
weinig heel blijft. Juridisch is er sprake van
buitenproportionaliteit. Geen van de beoogde doelstellingen is elders
aangetoond: het gaat hier vooral om marktfantasieën, het gevolg van een
decennium waarin het energiebeleid volledig uit de hand is gelopen.
Ironisch is dat voormalig EZ-Minister Wijers, in een interview met
Clingendael, de huidige minister ervan beticht het investeringsklimaat
te bederven voor nieuw productievermogen, omdat deze eigendomssplitsing
de overheid neerzet als onbetrouwbaar en willekeurig. De Raad van State
heeft kritisch geadviseerd, noemt het wetsvoorstel overbodig en
waarschuwt voor de risico's. Minister en enkele Kamerleden blijken dat
anders te lezen en zien geen bezwaren.
In een analyse van Oxford University voor het Landelijk
Medezeggenschapsplatform Energiedistributiebedrijven (LME) worden het
wetsvoorstel en de onderliggende verwachtingen doorgelicht en
afgewezen. Marktwerking in de elektriciteitssector voor de
kleinverbruiker is vrijwel onmogelijk. Privatisering heeft nergens in
Europa geleid tot de positieve effecten uit de Memorie van Toelichting,
maar tot het tegendeel, een conclusie die ook de Algemene Energieraad
(AER) in twee rapporten heeft getrokken: de liberalisering maakt de
elektriciteitsvoorziening duurder, onbetrouwbaarder en
milieuonvriendelijker. Er zijn vergelijkbare analyses van de
Bezinningsgroep Energiebeleid en de Stichting Economisch Onderzoek van
de Universiteit van Amsterdam (SEO). Dat de vergaande vorm van
splitsing die de minister voorstaat, eigendomssplitsing, extra
voordelen heeft ten opzichte van de juridische splitsing die de facto
al bestaat, is een onbewezen stelling, aldus Oxford.
In een preadvies onderzocht prof. Hans Schenk (Tjalling Koopmans
Instituut, Universiteit van Utrecht) het overnamespook dat zo'n
overheersende rol speelt in het defensieve scenario van het ministerie
van EZ. Overnames en fusies zijn geen rationele processen, maar
complexe beslissingen waarin trends, machogedrag en illusies een grote
rol spelen, en al te vaak met desastreuze gevolgen: tussen 65% en 85%
ervan mislukken. Gesplitst of geïntegreerd, in beide gevallen is het
risico groot dat de Nederlandse elektriciteitsproductie in vreemde
handen komt.
Indien er geen specifieke redenen zijn om aan te nemen dat het
elektriciteitsbedrijven beter zal vergaan dan bedrijven uit andere
sectoren, dan is het zeer goed mogelijk dat overnames van Nederlandse
elektriciteitsbedrijven, in al dan niet afgeslankte vorm, slechts in
minderheid succesvol zullen kunnen zijn. Ook indien er economische
partijen zijn die fusies tot stand willen brengen is, met andere
woorden, niet gezegd dat er economisch voordeel kan worden behaald en
evenmin dat er een economisch zinvol doel mee gediend is. Met andere
woorden, overnamegedrag door ondernemingen, ook in de
elektriciteitssector, wordt primair gestuurd door niet-economische
belangen. Dat betekent dat de overnamehypothese die de minister van
Economische Zaken centraal stelt bij de motivatie van de zogenaamde
splitsingswet in zijn essentie niet houdbaar is. Er zijn daarom geen
redenen aanwezig om af te zien van het meewegen van andere
maatschappelijk belangrijke factoren.
Over overname besluiten echter eventueel alleen de
aandeelhouders. Daarvan is zo'n 75% van alle bedrijven op dit moment
tegen verkoop en dus tegen privatisering. Dit impliceert dat er een
alternatief bestaat: liberalisering is okay, maar als je toch
privatiseert zorg dan voor beschermingsconstructies zoals bij Philips
en Heineken, dan vervalt een stuk van de aanleiding voor de politieke
linkervleugel om de splitsingswet te steunen.
In Nederland is inmiddels sprake van de Oranjeparadox: wil men in
Europa concurreren, dan moet er één megabedrijf komen, van de omvang
van de grote vier samen plus wellicht de Gasunie; wil men binnen de
piepkleine Europese provincie Nederland concurreren, dan mag mega niet
en moet er minstens een grote vier zijn, het liefst aangevuld met tal
van andere aanbieders die inmiddels van her en der toesnellen om een
slaatje te slaan uit de kortsluiting die het elektriciteitsbeleid hier
is geworden.
In interviews meldt de minister, inmiddels wat gecorrigeerd voor zijn
ideeën over allerlei veronderstelde voordelen, dat hij vooral de
zogenaamde kruissubsidies wil afschaffen. Dit zijn de geldstromen die
van de profitabele netten naar de minder winstgevende productie- en
handelsposten van de grote vier stromen. Die kruissubsidies bestaan
echter niet en zijn zelfs bij wet verboden. Bijvoorbeeld Essent: daar
is het net conform de wet ondergebracht in een apart bedrijf, dat
dividend uitkeert aan aandeelhouder Essent. In de economie wemelt het
van vergelijkbare constructies: Boeing 'subsidieert' zijn
burgertoestellen met dividenden uit het op Pentagongelden draaiende
militaire dochterbedrijf. Apple houdt z'n computerdivisie overeind met
de winst van de kaskraker iPod.
Het nieuwste argument van de minister is nu de aandeelhouderswaarde,
die na splitsing zou stijgen. Die rekensom valt niet te controleren,
maar lijkt op die van de zogenaamde raiders die profiteren van
sterfhuisconstructies. Scheid gezonde en ongezonde bedrijfsonderdelen,
vijzel de gezonde op en verkoop die afzonderlijk voor meer waarde dan
de gezamenlijke aankoop. Enkele aandeelhouders nemen inmiddels een
voorschot, zoals Friesland dat zijn aandelen in onderpand heeft gegeven
voor een banklening, waarvoor men meteen allerlei moois wil
aanschaffen: wegen, bruggen, sporthallen. De gemeenteraadsverkiezingen
naderen en men wil dus met grote spoed cashen teneinde de kiezers van
alles te kunnen beloven. Voor verkoop van de netten aan derden bestaat
echter weinig politieke steun en een zwakke juridische basis, nog
afgezien van de claims door Amerikaanse beleggers die jaren geleden
deze netten kochten en in een fiscale constructie – cross-border lease – aan de grote vier teruglenen. Amerikaanse advocaten hebben
aangekondigd met claims te komen die in de miljarden lopen. En stel dat
de minister na jaren procederen toch gelijk krijgt? Dan worden te
gretige aandeelhouders door de minister van Financiën gekort op het
gemeentefonds en provinciegelden. Oud-minister Wijers zegt in het
Clingendaelinterview dat de waardevermindering van de grote vier na
splitsing (van nu 24 miljard euro naar 7,5 miljard) een niet
te ontkennen feit is. De huidige minister roept het tegenovergestelde.
De betrouwbare overheid is wel erg ver weg.
Dat de grote vier in de knel komen en dat de energievoorziening
daardoor gevaar loopt, is eveneens een niet te ontkennen feit. De
elektriciteitsvoorziening van Nederland zal straks vanuit Düsseldorf,
Moskou of Parijs geregeld worden. In Nederland wordt het onbelangrijk
geacht de energievoorziening in eigen hand te houden. De elektrische
giganten over de grens zijn de lachende derde: de Nederlandse politiek
maakt zich van alles wijs, in de rest van Europa blijven de netten
gewone bedrijfsonderdelen.
Splitsing is een dure operatie. De kosten ervan belopen honderden
miljoenen. Dat wordt in geen jaren terugverdiend en zal zeker worden
doorberekend aan de afnemers. Hoge energieprijzen hebben ook voordelen:
ze zijn een zegen voor duurzaamheid en het van de grond komen van
alternatieve energiebronnen. Lage prijzen zijn ofwel falsificaties
ofwel een prikkel tot verspilling. Klimaatbeleid verdraagt zich niet
met lage prijzen.
De hele kwestie krijgt nog eens een extra dimensie door de hier zo
openlijk beleden afkeer van de minister van een normale
industriepolitiek. Keer op keer laat hij weten dat hij geen aanjager
wil zijn van bedrijfsleven en industrietakken. Waar Schröder en Blair
zich aan het hoofd van grote delegaties richting Azië spoeden om hun
industrie te dienen, zegt Brinkhorst dat de markt en Europa wel zullen
bepalen waar wat geproduceerd wordt. Waartoe zo'n houding ten slotte
leidt, zien we onder meer in België en Zweden. België heeft in
nauwelijks tien jaar tijd zijn grootste bedrijven verloren: Sabena,
Stella Artois, Electrabel, Cockerill, Solvay – het houdt niet op. De
grote Zweden zijn verdwenen, vertrokken, opgeslokt of hebben hun
hoofdkantoren verplaatst: Asea, Volvo, Ikea, Tetra Pak, Saab. In Zweden
en Denemarken heeft men nu op de rem getrapt en van ooit met Essent en
Nuon vergelijkbare energiebedrijven, Vattenvall en Dong, in korte tijd
grote Europese spelers gemaakt, een welbewuste industriepolitiek met
grote werkgelegenheidseffecten en innovatieresultaten. In ons land
bestond ooit een vergelijkbaar visionair initiatief, het GPB ofwel
Grootschalig Productie Bedrijf, dat helaas van tafel is verdwenen.
AbvaKabo maakte dezer dagen bekend dat in Nederland in de
elektriciteitssector door dit wetsvoorstel een groot stuk zekerheid,
kennis, controle en innovatie, en circa vijftienduizend banen verloren
gaan. Wat men heeft wordt weggestemd en ondertussen zit premier
Balkenende het Innovatieplatform voor, waar men zoekt naar vernieuwing
en elan. De unieke positie van Nederland Gas- en Energieland zou een
enorme schwung voor de economische groei kunnen betekenen ook als het
gas hier op is, maar het Europese leidingennet nog altijd hier zijn
belangrijkste knooppunt heeft.
Nederland is het epicentrum van een grootschalig marktexperiment dat
zijns gelijke niet kent. Concurrentie in de elektriciteitssector
bestaat alleen in beperkte zin tussen oligopolische giganten op
Europees niveau die de markt hebben verdeeld. Schröder en Chirac hebben
begrepen dat je de controle over het 'vuur van de economie' niet in
vreemde handen geeft. De as Berlijn-Moskou gaat over gasleidingen en
honderden miljarden aan investeringen en contracten, en niet over
spelletjes met marktwerking in Saksen-Anhalt of Saarland. Wereldwijd
zijn de geopolitieke verhoudingen totaal veranderd. Het besef is
algemeen dat het einde van het rijke energietijdperk snel nadert, en de
wedstrijd om de laatste voorraden is begonnen, tegen een decor van een
gevaarlijk wordende klimaatverandering. In Brussel puzzelt men nog over
de liberalisering. Stuurloze ambtenaren en een marktideologische
Eurocommissaris hebben geen idee hoe je dit doet: markten waar die niet
bestaan, concurrentie die er niet zal zijn en politieke paniek om de
grondwet die er niet komt. Europese regelgeving eist deze splitsing
niet, die dan ook in de rest van Europa niet aan de orde is. De
Europese elektriciteitsmarkt doet precies het omgekeerde van wat er in
Nederland gebeurt of dreigt te gebeuren.
In het boek Tegenpolen van energiejournalist Noud Köper wordt de
teloorgang van wat ooit een goed energiebeleid was beschreven aan de
hand van de stappen die door de achtereenvolgende ministers van
Economische Zaken sinds 1994 zijn gedaan. Het is spannende stof, waarin
alle betrokkenen tot dezelfde conclusie komen: de energieliberalisering
is te snel ingezet en de chaos is compleet. Het vreemde is niet alleen
dat de huidige minister alle adviezen die ertoe doen naast zich
neerlegt, maar ook dat de beleidsmakers niet in de gaten lijken te
hebben dat de energiesituatie in de wereld zich sinds het begin van de
markthype drastisch heeft gewijzigd. Aan de buitenkant lijkt het of er
sprake is van een veelheid aan marktpartijen: olie, gas, nucleair,
kolen. Realiteit is echter dat het hier grotendeels gaat om kolossale
oligopolies, met Rusland en China aan de top, maar ook in de
Verenigde Staten steeds manifester. Olie en gas worden snel
schaarser en marktmechanismen doen hun werk onvoldoende of worden
anomalieën. In de VS is de elektriciteit slechts in enkele staten
geliberaliseerd, elders volledig in publieke handen.
Centralistische energiemacht en een politieke, militaire greep op de
laatste hulpbronnen, daar gaat het nu om, zoals aangetoond door onder
anderen Michael T. Klare in diens boek Blood and Oil (2005). Analisten
gaan ervan uit dat de gas- en olieproductie piekt tussen 2020 en 2040.
Investeringen in exploratie en productie komen niet op tijd, zijn niet
succesvol of te duur. Ook het Franse industrieministerie heeft in
het recent verschenen rapport L'industrie pétrolière en 2004 de
waarschijnlijkheid van een dergelijk scenario onderkend.
Klimaatscenario's moeten regelmatig worden bijgesteld. De analogie
tussen de klimaatsomslagen in het verleden, zoals die gemeten worden in
het Arctische ijs, de nu optredende CO2-ophoping in de lucht en globale
temperatuurveranderingen is zodanig dat we, eerder dan door de gangbare
modellen voorspeld, problemen door zeespiegelstijging kunnen
verwachten. De VU-paleoklimatoloog prof. Dick Kroon meent zelfs dat
deze binnen een eeuw al een paar meter zou kunnen bedragen.
Het is nodig een nieuw model voor sturing van de
elektriciteitsvoorziening te ontwikkelen, waarin de hele samenleving
wordt betrokken. De regie over de verdere ontwikkeling van de
elektriciteitsvoorziening houdt onder meer het volgende in.
Ten eerste is visievorming op de belangrijkste maatschappelijke en
bedrijfsmatige aspecten van de energievoorziening (schoon, betaalbaar,
betrouwbaar) nodig, daarbij rekening houdend met de nieuwe
(internationale) situatie en de nieuwe verhoudingen en bezien over de
hele energieketen van bron tot klant. Ten tweede ontbreekt nu een visie
op de overheidsinterventies die nodig zijn om de doelen van schoon,
betrouwbaar en betaalbaar zo goed mogelijk te realiseren en de schaal
waarop deze interventies moeten worden ingezet. Er moet een eenduidig
model komen over de werking van de elektriciteitsmarkt en over de
trends en ontwikkelingen die bij het huidige beleid mogen worden
verwacht. Er moet onderzoek komen naar de organisatorische constructies
en modellen waarin publieke en private inbreng met elkaar in balans
worden gebracht. Nodig is een breder debat over liberalisering, doelen
en sturingswijzen, waarin ook het element van de splitsing kan worden
meegenomen. Dringend noodzakelijk zijn nieuwe coalities die de zich
ontwikkelende agenda van maatschappelijk verantwoorde liberalisering
kunnen omarmen en daarin een rol kunnen krijgen.
Dit alles zou de hoofdmoot van het Nederlandse industriepolitiek- en
energiebeleid moeten zijn, met de nieuwe geopolitieke
machtsverhoudingen als leidraad en Europa en markt als randvoorwaarde,
maar niet als doel, en onder regie van de ministeries van EZ en VROM,
de energiewereld en de NGO's tezamen.
In 1974 werd de Bezinningsgroep Energiebeleid opgericht, een informele
denktank van wetenschappers, industriëlen, bestuurders en politici. De
groep zorgde ervoor dat de toen geplande drieduizend megawatt
kernenergie niet doorging en dat de energiebesparing met groot succes
werd doorgevoerd. In 1982 werd het initiatief genomen tot de BMD, de
Brede Maatschappelijke Discussie over het energiebeleid. Daaruit
groeide het zogenaamde Warnsbornoverleg met de elektriciteitssector,
waaruit een baaierd van succesvolle beleidsconcepten is gegroeid, zoals
de windenergie en de warmtekrachtkoppeling WKK, die na twee decennia
van stormachtige groei, ten gevolge van de liberalisering, de laatste
jaren is gestabiliseerd. Bijna zevenhonderd megawatt WKK heet nu niet
meer rendabel te zijn, louter omdat het beleid foute uitgangspunten
hanteert. Operatie geslaagd, patiënt overleden: straks gaat, geheel
marktconform, gewoon het licht uit en het klimaat naar de knoppen. In
de laatste scenario's van de World Business Council for Sustainable
Development (WBCSD) wordt de stormbal gehesen: het gaat goed fout,
alles moet uit de kast worden gehaald om op tijd de
wereldenergievoorziening veilig te stellen. Daartoe zijn visie,
investeringen en kapitaalkrachtige bedrijven een absolute voorwaarde.
Het is om die reden dat een time-out gewenst is, pas op de plaats om
het hele beleid te heroverwegen. Een parlementair onderzoek, een
interventie van de Algemene Rekenkamer of een speciale adviescommissie à la Waddenzee, dat is nu aan de orde. En met spoed.
Terug 
|
|
|
|